OudersWat is TOS?Tips voor taalstimulering

Je bent een belangrijke gesprekspartner voor je kind. Hoe kan je je kind met TOS helpen met taal? TOS is bij ieder kind anders, dat zie je in het Spraaktaalweb. We geven algemene tips om de taal van je kind te stimuleren en tips voor de verschillende onderdelen van de taal.

Algemene tips voor taalstimulering

  • Zorg voor plezier in jullie contact. Sluit aan bij wat je kind leuk vindt.
  • Kom op ooghoogte met je kind en maak oogcontact.
  • Kijk en luister goed naar wat jouw kind duidelijk maakt.  
  • Benoem wat jullie samen zien of doen.  
  • Spreek in een rustig tempo. Houd je zinnen kort en duidelijk.
  • Laat zien wat je zegt (met mimiek, gebaren, aanwijzen, plaatjes of pictogrammen).
  • Geef niet te veel informatie tegelijk. 
  • Geef je kind langer de tijd om je te begrijpen of zelf te reageren.  
  • Herhaal informatie of vat het samen voor je kind.  
  • Check of je kind de informatie heeft begrepen.
  • Stel niet te veel of te moeilijk vragen. Gesloten vragen zijn het makkelijkst (“Wil je banaan of appel?”). Daarna komen “Wie”, “Wat” en “Waar” vragen. Vragen met “Waarom”, “Wanneer” en “Hoe” zijn het moeilijkst.
  • Maakt je kind fouten? Herhaal wat je kind zegt, maar dan in de juiste vorm. Als je kind zegt “De paard loop weg”, zeg je bijvoorbeeld “Ja, het paard loopt weg”.
  • Je kan de zin van je kind ook langer maken door een paar woorden toe te voegen. Als je kind zegt “Poes eten”, zeg je bijvoorbeeld “Ja, de poes eet brokjes”.

Tips voor spraakklanken

  • Reageer op wat je kind zegt en niet op de uitspraak.
  • Herhaal wat je hebt begrepen.
  • Geef je kind de tijd om te reageren en aan te vullen.
  • Verbeter niet, maar geef de uitspraak van je kind in de goede vorm terug. Als je kind bijvoorbeeld zegt: “daa toe!”, dan kun je zeggen “Ja, daar is de stoel”.
  • Versta je je kind niet? Help je kind het anders duidelijk te maken. Zeg bijvoorbeeld: “Ik begrijp je niet. Wil je het laten zien?”

Tips voor woorden

  • Zorg dat kinderen ook zien, ruiken, proeven of voelen waarover je praat.
  • Zorg voor een beeld bij een woord. Bijvoorbeeld met lichaamstaal, uitbeelden, (natuurlijke) gebaren, tekeningen, afbeeldingen, foto’s of voorwerpen.
  • Vertel wat je doet. Zeg bijvoorbeeld: “Ik smeer boter op mijn brood”.
  • Herhaal nieuwe woorden vaak. Laat ze op verschillende momenten terugkomen. Bijvoorbeeld thuis, op school of in de supermarkt.
  • Leg woorden kort uit. Bijvoorbeeld “Een appel is fruit. Je kan het eten”.

Tips voor zinnen

  • Gebruik korte en duidelijke zinnen.
  • Herhaal de zin van je kind in de juiste vorm. Als je kind zegt “Als papa thuis, hij gaat koken”, zeg je bijvoorbeeld: “Als papa thuis is, gaat hij koken”.
  • Maak de zin van je kind langer door enkele woorden toe te voegen. Bijvoorbeeld “Ik au daan”, wordt dan “Jij hebt je pijn gedaan, hè?”.
  • Gebruik standaardzinnen die je vaker herhaalt. Bijvoorbeeld: “Mag ik …?”, “Ik wil …”, “Wil je helpen?”
  • Begin een zin (“Morgen gaan we …”) en laat je kind de zin zelf afmaken (“… naar oma”).

Tips voor verhalen

  • Lees (prenten)boeken met je kind. Hiermee stimuleer je ook klanken, woorden en zinnen en het taalbegrip.
  • Kies een boek dat past bij wat je kind leuk vindt en wat je kind kan begrijpen.
  • Lees niet alleen de tekst voor. Gebruik het boek om samen een leuk gesprek te hebben. Dit noemen we ook wel interactief voorlezen.
  • Stel vragen over het verhaal. Kies vragen die passen bij de ontwikkeling van jouw kind:
    • makkelijke vragen: wie, wat, waar?
      (“Waar is de poes”?)
    • moeilijkere vragen: hoe, waarom, wanneer?
      (“Waarom rent de poes weg”?)
  • Vraag ook naar de beleving van je kind. Wat herkent je kind? Wat vindt je kind grappig?
  • Deel een verhaal samen in, met een begin, midden en eind.
  • Bespreek samen wat het belangrijkste was in het verhaal.
  • Lees een boek meerdere keren. Herhaling is goed. Probeer er steeds iets nieuws bij te vertellen.

Tips voor interactie

  • Zorg vooral voor plezier in het contact. Dat kan ook zonder taal. Vraag het kind dus niet steeds om te praten.
  • Je kunt interactie uitlokken door een grapje te maken. Laat bijvoorbeeld eens expres iets vallen (“Oeps!”).
  • Geef je kind de tijd om te reageren. Heb je iets gezegd of gevraagd? Wacht dan even met verder praten.
  • Let op dat je niet te veel vragen na elkaar stelt. Te veel vragen kan zorgen voor druk.
  • Stel niet steeds toetsende vragen zoals “Wat is dat?” of “Hoe heet dat?”. Als je kind het antwoord niet weet kan dat een vervelend gevoel geven.
  • Stel vragen waar je kind antwoord op kan geven. Bij gesloten vragen is dit makkelijker (“Wil je binnen of buiten spelen”?)
  • Zorg dat je kind ook zonder woorden kan reageren door gebruik van materiaal, gebaren, afbeeldingen, pictogrammen, foto’s of filmpjes.

Tips voor leren en onthouden

  • Geef één opdracht tegelijk.
  • Controleer of je kind de opdracht heeft begrepen (“Wat moest je ook alweer doen”?).
  • Maak een plaatje of tekening van wat er moet gebeuren. Gebruik bijvoorbeeld een planbord (aankleden, tanden poetsen, ontbijten…).
  • Geef je kind genoeg tijd om na te denken en te reageren.

Meer tips

Hebben jullie meer hulp nodig?
Kijk voor meer hulp eens op
Zorg & hulp – AllesoverTOS.