ProfessionalsSignalerenTaalstimulering

Algemene tips voor taalstimulering

Professionals spelen samen met ouders een belangrijke rol in de taalontwikkeling van een kind.  Werk je met jonge kinderen? Dan kun je deze tips voor taalstimulering gebruiken. Je kunt ouders wijzen op Tips voor taalstimulering, deze pagina is er ook in het Engels.

 

De taaltips voor ouders staan op deze miniposter (A4) die je zelf kunt printen.
Je kunt de poster aan ouders meegeven voor thuis.

Download de poster

De posters zijn ook beschikbaar in de volgende talen:

Engels Arabisch Turks Pools


OOGHOOGTE

Kom op ooghoogte.
Zo kun je zien waar het kind naar kijkt.
En je kunt beter naar het kind luisteren.

 

 

PLEZIER
Zorg voor plezier in jullie contact.
Volg de interesse van het kind.

 


BENOEM

Benoem wat het kind doet, ziet, hoort, voelt en wil.
Benoem ook wat je zelf ziet of doet.
“Kijk, daar hangen slingers!”

 

 

WACHT
Geef het kind de tijd om zelf iets te zeggen of te laten zien.
Kijk tijdens het wachten met interesse naar het kind.

 

 

LAAT HET ZIEN EN VERTRAAG
Laat zien wat je zegt met mimiek, gebaren, aanwijzen of plaatjes.
Houd je zinnen kort en spreek langzaam en duidelijk.

 


HERHALEN

Herhaal informatie of zeg het op een andere manier.
“Jij gaat de plant water.”
“De plant heeft water nodig.

 

VRAGEN STELLEN
Keuzevragen zijn het makkelijkste “Wil je dit of dat?”.
Daarna komen “wie”, “wat” en “waar” vragen.
Vragen met “waarom”, “wanneer” en “hoe” zijn het moeilijkst.
“Wil je een appel of een banaan?”

 

POSITIEF IMITEREN
Maakt het kind een foutje?
Verbeter het kind niet, maar herhaal de woorden en zinnen in de juiste vorm.
Zo geef je het kind het goede voorbeeld.
“De eten lekker.”
“Ja, het eten is lekker.”

 

EXTRA WOORDEN
Je kan d
e zin van het kind ook langer maken in je reactie,
door een paar woorden toe te voegen.
“Appel, mooi.”
“Ja, de appel is mooi en rood.”

Tips voor verschillende onderdelen van taal

TOS is bij ieder kind anders, dat zie je in het Spraaktaalweb.
We geven ook tips voor de verschillende onderdelen van taal.

Tips voor spraakklanken

  • Reageer op wat het kind zegt en niet op de uitspraak.
  • Zeg niet tegen het kind: “dat zeg je verkeerd”. Maar spreek het woord zelf wel goed uit. Als het kind bijvoorbeeld zegt: “daa toe!”, zeg je: “Ja, daar is de stoel!”.
  • Herhaal wat je hebt begrepen.
  • Geef het kind de tijd om te reageren en aan te vullen.
  • Versta je het kind niet? Help het kind het anders duidelijk te maken. Zeg bijvoorbeeld: “Ik begrijp je niet. Wil je het laten zien?”

Tips voor woorden

  • Zorg dat het kind ook ziet, ruikt, proeft of voelt waarover je praat.
  • Zorg voor een beeld bij een woord. Bijvoorbeeld met uitbeelden, (natuurlijke) gebaren, lichaamstaal, tekeningen, afbeeldingen, foto’s of voorwerpen.
  • Vertel wat je doet. Zeg bijvoorbeeld: “Ik smeer boter op mijn brood”.
  • Herhaal nieuwe woorden vaak. Laat ze op verschillende momenten terugkomen.
  • Leg woorden kort uit. Bijvoorbeeld “Een appel is fruit. Je kan het eten”.

Tips voor zinnen

  • Gebruik korte en duidelijke zinnen.
  • Herhaal de zin van het kind in de juiste vorm. Als het kind zegt: “Als papa thuis, hij gaat koken”, zeg je bijvoorbeeld: “Als papa thuis is, dan gaat hij koken”.
  • Maak de zin van het kind langer door enkele woorden toe te voegen. Als het kind zegt: “Ik vallen”, dan zeg je bijvoorbeeld: “Ben je gevallen?”
  • Gebruik standaardzinnen die je vaker herhaalt. Bijvoorbeeld: “Mag ik …?”, “Ik wil …”, “Wil je helpen?”
  • Begin een zin (“Morgen gaan we …”) en laat het kind de zin zelf afmaken (“… naar oma”).

Tips voor verhalen

  • Lees (prenten)boeken met het kind. Hiermee stimuleer je klanken, woorden en zinnen.
  • Kies een boek dat past bij wat het kind leuk vindt en wat het kind kan begrijpen.
  • Lees niet alleen de tekst voor. Gebruik het boek om samen een leuk gesprek te hebben. Kijk ook eens bij tips voor interactief voorlezen.
  • Stel vragen over het verhaal. Kies vragen die passen bij de ontwikkeling van het kind:
    • Makkelijke vragen: wie, wat, waar?
      (“Waar is de poes?”)
    • Moeilijkere vragen: hoe, waarom, wanneer?
      (“Waarom rent de poes weg?”)
  • Vraag ook naar de beleving van het kind. Wat herkent het kind? Wat vindt het kind grappig?
  • Praat samen over het verhaal. Wat gebeurde er eerst? En wat daarna? Hoe eindigde het?
  • Bespreek samen wat het belangrijkste was in het verhaal.
  • Lees een boek meerdere keren. Herhaling is goed. Probeer er steeds iets nieuws bij te vertellen.

Tips voor interactie

  • Zorg vooral voor plezier in het contact. Dat kan ook zonder taal. Vraag het kind dus niet steeds om te praten.
  • Je kunt interactie uitlokken door een grapje te maken. Laat bijvoorbeeld eens expres iets vallen (“Oeps!”).
  • Geef het kind de tijd om te reageren. Heb je iets gezegd of gevraagd? Wacht dan even met verder praten.
  • Let op dat je niet te veel vragen na elkaar stelt. Te veel vragen kan zorgen voor druk.
  • Stel niet steeds ’testvragen’ zoals “Wat is dat?” of “Hoe heet dat?”. Als het kind het antwoord niet weet kan dat een vervelend gevoel geven.
  • Stel vragen waar het kind antwoord op kan geven. Bij keuzevragen is dit makkelijker (“Wil je binnen of buiten spelen?”)
  • Zorg dat het kind ook zonder woorden kan reageren door gebruik van materiaal, gebaren, afbeeldingen, pictogrammen, foto’s of filmpjes.

Tips voor leren en onthouden

  • Geef één opdracht tegelijk.
  • Controleer of het kind de opdracht heeft begrepen (“Wat moest je ook alweer doen”?).
  • Maak een plaatje of tekening van wat er moet gebeuren. Gebruik bijvoorbeeld een planbord (aankleden, in de kring, aan tafel…).
  • Geef het kind genoeg tijd om na te denken en te reageren.

Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 29 mei 2026