Er is veel variatie in de aard en ernst van de taalproblemen bij kinderen met TOS. Ook kunnen de taalproblemen en gevolgen daarvan in de loop van de tijd veranderen. In elke levensfase worden andere eisen gesteld aan taal en communicatie. Een kind kan bijvoorbeeld op 3-jarige leeftijd vooral moeite hebben met spraakklanken. In de schoolleeftijd kan hetzelfde kind vooral problemen hebben met zinsbouw. Jongeren of volwassenen met TOS kunnen weer moeite hebben met schriftelijke taalvaardigheid en sociale communicatie. Signalen die wijzen op TOS kunnen dus per levensfase verschillen.
Mijlpalen
In de eerste levensjaren spelen taal en communicatie een grote rol in de ontwikkeling van kinderen. Jonge kinderen leren in hun eerste jaar woorden begrijpen en gaan rond de eerste verjaardag ook woorden produceren. Op die leeftijd begrijpen kinderen ook al eenvoudige opdrachten (bijvoorbeeld “jas aan”). De eerste woordcombinaties (“mama spelen” of “kijk auto!”) maken kinderen gemiddeld genomen rond het tweede levensjaar. Op die leeftijd kunnen kinderen ook zelf een kort gesprek beginnen. Een kind van drie jaar kan vaak al een kort verhaaltje in eenvoudige zinnen navertellen bij een plaatje. Op de leeftijd van 5 jaar kunnen de meeste kinderen al complexe zinnen maken, bijvoorbeeld zinnen met ‘omdat’ (“Ik moet naar huis omdat mijn moeder jarig is”).
Er is veel variatie in de typische taalontwikkeling. Naar schatting haalt meer dan de helft van de kinderen met een taalachterstand op 2-jarige leeftijd die achterstand ook weer in. Het herkennen van TOS is op jonge leeftijd dus lastig, zeker bij meertalige kinderen of kinderen met andere ontwikkelingsproblemen. Toch is het belangrijk om de taalontwikkeling van jonge kinderen te volgen en alert te zijn op signalen van TOS zodat er vroeg hulp geboden kan worden.
Signalen bij jonge kinderen
Het consultatiebureau volgt de taalontwikkeling van jonge kinderen (0-4 jaar) en gebruikt het Van Wiechenonderzoek om een taalachterstand te signaleren. De jeugdarts of verpleegkundig specialist verwijst zo nodig door aan de hand van de JGZ richtlijn taalontwikkeling.
Wanneer professionals of ouders zorgen hebben over de taalontwikkeling van een kind kunnen zij de ELS vragenlijst taalontwikkeling invullen. De ELS-NL (Early Language Scale) is een signaleringsinstrument voor het opsporen van een taalachterstand bij kinderen van 1 tot 6 jaar. De signalen of ‘rode vlaggen’ voor een risico op TOS verschillen per leeftijd:
Signalen 1-2 jaar
- brabbelt niet of nauwelijks
- reageert niet of weinig op gesproken taal of geluiden
Signalen 2-3 jaar
- reageert niet of weinig op gesproken taal
- heeft weinig interesse in communicatie
- zegt met 2 jaar nog heel weinig woorden
- maakt met 3 jaar nog geen zinnen van 2 woorden, zoals ‘koek eten’.
Signalen 3-4 jaar
- begrijpt enkelvoudige opdrachten niet (“jas aan” of “kijk daar”)
- maakt nog geen zinnen van meer dan twee woorden (“koek eten”)
- spreekt slecht verstaanbaar, zelfs voor ouders
Signalen 4-5 jaar
- begrijpt eenvoudige opdrachten niet, bijvoorbeeld ‘doe je jas aan’’
- maakt nog geen zinnen van meer dan drie woorden
- spreekt moeilijk verstaanbaar voor vreemden en is voor ouders ook niet altijd te verstaan
- praat weinig, begint meestal niet uit zichzelf met praten
- communiceren gaat niet makkelijk. Er zijn bijvoorbeeld veel misverstanden.
Signalen 5-6 jaar
- kent weinig woorden
- begrijpt samengestelde opdrachten niet (bijvoorbeeld “pak je jas en stop hem in je tas”)
- spreekt verstaanbaar voor ouders, maar nog niet voor andere mensen in de omgeving
- praat weinig, begint meestal niet uit zichzelf met praten.
- stelt geen vragen of weinig vragen
- maakt korte zinnen met fouten, bijvoorbeeld ‘hem zijn ook verdrietig’
- gebruikt nog geen complexe zinnen, bijvoorbeeld ‘ik moet naar huis omdat mijn moeder ziek is’
- kan niet goed een verhaal vertellen. De volgorde is meestal niet logisch
- geeft antwoorden die je niet altijd verwacht
- communiceren gaat niet makkelijk. Er zijn bijvoorbeeld veel misverstanden.
- heeft moeite om de juiste woorden te vinden
- heeft moeite om de aandacht erbij te houden, bijvoorbeeld bij instructie in de klas
Met een screening zoals de ELS blijft de kans bestaan dat kinderen met een risico op TOS ‘gemist’ worden. Kinderen die voldoende scoren op de screening kunnen toch taalproblemen hebben. De kans om onterecht een taalachterstand te signaleren is kleiner. Neem zorgen van ouders, verzorgers of andere professionals over de taalontwikkeling daarom serieus en adviseer niet te snel om ‘af te wachten’.
Een familiegeschiedenis van spraak-, taal- of leesproblemen is een reden om extra alert te zijn op taalontwikkelingsproblemen. Ook taalbegripsproblemen zijn een reden voor extra alertheid. Bijkomende gedragsproblemen kunnen ook een aanleiding zijn voor vervolgdiagnostiek. Taalproblemen kunnen namelijk gevolgen hebben voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. Kinderen met TOS zijn bijvoorbeeld vaker gefrustreerd of boos. Ze zijn ook vaker onzeker of trekken zich terug.
Signalen op de basisschool
Het komt voor dat taalproblemen pas op school opvallen. Ook in de schoolleeftijd is er veel variatie in talige kenmerken van TOS. Niet alle signalen komen bij elk kind met TOS voor. De taalontwikkeling van kinderen met TOS lijkt op die van jongere kinderen en is dus niet ‘afwijkend’ maar vooral vertraagd.
Kenmerken die als ‘klinische markeerders’ voor TOS worden beschouwd zijn problemen met grammatica (met name werkwoordsvervoegingen) en het talig geheugen. Het talig geheugen wordt bijvoorbeeld gemeten door een kind zinnen te laten herhalen. Het talig geheugen is belangrijk bij het leren van woorden en zinnen.
Het is belangrijk dat onderwijsprofessionals zoals leerkrachten en intern begeleiders alert zijn op de volgende signalen:
Schoolkind (4-12 jaar)
- kent weinig woorden
- spreekt moeilijk verstaanbaar
- heeft moeite met fantasiespel en ‘doen alsof’
- gebruikt ‘lege taal’ met veel algemene (werk)woorden (bijvoorbeeld “die gaat zo”)
- maakt veel grammaticale fouten, vooral in werkwoordsvervoeging (“de paard loop weg”)
- heeft moeite om de juiste woorden te vinden (laat stiltes vallen of gebruikt ‘uh…’)
- maakt korte en eenvoudige zinnen
- neemt weinig spreekinitiatief
- stelt weinig of geen vragen
- heeft moeite met complexe zinnen (bijvoorbeeld zinnen met ‘als … dan’ of ‘omdat’, zoals ‘ik moet naar huis omdat mijn moeder ziek is’)
- heeft moeite een samenhangend verhaal te vertellen. De volgorde is bijvoorbeeld niet logisch.
- heeft moeite om groepsgesprekken te volgen
- heeft moeite om de aandacht erbij te houden, bijvoorbeeld bij instructie in de klas.
- is vaker betrokken bij misverstanden of conflicten met leeftijdsgenoten
Meer informatie over kenmerken met TOS en wat je kunt doen in de klas staat ook op de pagina Schoolse ontwikkeling.
Doorverwijzen na signalering
Herken je een van deze signalen of rode vlaggen? Of zijn er ernstige zorgen over de taalontwikkeling? Bespreek je zorgen dan met ouders en adviseer ze om naar een huisarts, jeugdarts of logopedist te gaan voor vervolgonderzoek. Logopedisten gebruiken daarvoor een observatie-instrument, spontane taal en/of taaltesten. Bij meertalige kinderen doen logopedisten daarnaast onderzoek naar het taalaanbod thuis en eventueel de ontwikkeling van de thuistaal. Voor meer informatie over TOS bij meertalige kinderen zie Meertaligheid.
Voor een diagnose TOS wordt vaak doorverwezen naar een audiologisch centrum. Voor meer informatie over doorverwijzing naar het audiologisch centrum en derdelijnszorg zie Routes Zorg.
TIP
Beschrijf de signalen die jou opvallen zo concreet mogelijk.
Bijvoorbeeld: “Samir is voor leeftijdsgenoten niet altijd verstaanbaar” of “Roos stelt in de klas geen vragen”. Dit helpt ouders bij het aanvragen van verder onderzoek.
Tieners en jongeren (12-18 jaar)
Ook oudere kinderen met TOS verschillen erg van elkaar. Hierdoor is het moeilijk om algemene talige kenmerken te geven die bij alle kinderen voorkomen. De meeste kinderen met TOS blijven relatief korte en eenvoudige zinnen gebruiken met grammaticale fouten. Sommige jongeren blijven ook moeite houden met op woorden komen en (lange) woorden goed uitspreken.
Over het algemeen hebben jongeren met TOS meer tijd nodig om taal te verwerken. Ook kunnen zij moeite hebben met gesprekken voeren of een verhaal vertellen. Vooral sociale communicatie met leeftijdsgenoten kan op deze leeftijd moeilijk zijn, zoals het praten over wensen of emoties. In contact met anderen kunnen jongeren met TOS moeite hebben met:
- een gesprek beginnen en gaande houden
- een samenhangend verhaal vertellen
- meedoen aan een (online) groepsgesprek
- figuurlijke taal, humor of ironie begrijpen
- vrienden maken en behouden
In het voortgezet onderwijs hebben jongeren vooral problemen met het begrijpen en gebruiken van complexe taal en schriftelijke vaardigheden. Zij hebben daardoor bijvoorbeeld moeite met:
- begrijpen van (abstracte) leerstof
- vragen stellen
- redeneren en argumenteren
- gebruiken van abstracte en complexe woorden
- schrijven van werkstukken
- plannen van huiswerk en andere activiteiten
Zie voor meer informatie over leerlingen met TOS in het onderwijs ook Schoolse Ontwikkeling. Zie voor meer informatie over zorg en hulp Routes Zorg.
TIP
Jongeren met TOS hebben vaak weinig zelfvertrouwen en kunnen zich terugtrekken. Het is bij stille jongeren belangrijk om na te gaan of taalproblemen een rol spelen.
Sjuulke, 13 jaar:
Timo, 14 jaar:
(Jong)volwassenen (18+)
Veel (jong)volwassenen met TOS hebben geleerd hoe zij met hun taalproblemen om kunnen gaan. Toch kunnen zij ook nog gevolgen ondervinden van hun taalproblemen. Taalvaardigheid is een belangrijke voorspeller voor het afronden van een vervolgopleiding en de latere loopbaan. Mensen met TOS hebben gemiddeld een lager opleidingsniveau dan leeftijdsgenoten zonder TOS. Zij hebben meer moeite met werk vinden en houden en werken vaker part-time.
Voor (jong)volwassenen is sociale communicatie nog vaak lastig, bijvoorbeeld meedoen aan een groepsgesprek, humor begrijpen of conflicten oplossen. (Jong)volwassenen met TOS hebben hierdoor meer moeite met het maken en onderhouden van vriendschappen en (liefdes)relaties.
Ik ben niet altijd goed in een lang gesprek te hebben. Vaak dan weet ik dan niet meer waar ik het over moet hebben. Je vertelt inderdaad hoe het met je gaat, hoe gaat het met je werk, heb je nog wat meegemaakt? Maar op gegeven moment heb je niets meer te vertellen. Of in ieder geval, ik niet. … Dus dan vallen de stiltes. Dus dat is soms ook wel ongemakkelijk.
(Jong)volwassenen met TOS kunnen moeite hebben met:
- gebruiken van complexe mondelinge en schriftelijke taal, bijvoorbeeld bij sollicitaties
- complexe of abstracte taal begrijpen en onthouden, bijvoorbeeld in vergaderingen
- begrijpen van complexe teksten, bijvoorbeeld brieven van de overheid of de gemeente
- planning en organisatie, bijvoorbeeld bij financiën, administratie en huishouden
- drukke (werk)situaties en tijdsdruk
Familie Pellen:
Daniëlle, 20 jaar:
Kijk voor meer informatie over jongeren en (jong)volwassenen met TOS bij het onderzoeksproject TOSKoploper en Deelkracht projecten over TOS 18+. Kijk voor meer informatie over hulpaanbod bij Routes Zorg.
Wil je meer weten over wat je als professional kan doen wanneer je in aanraking komt met een kind, jongere of volwassene met TOS of een vermoeden van TOS? Kijk dan ook eens op Vanuit je vakgebied.
Meer lezen?
Bronnen
- Bishop, D. V. M., Snowling, M. J., Thompson, P. A., Greenhalgh, T., & CATALISE Consortium. (2016). CATALISE: A multinational and multidisciplinary Delphi consensus study. Identifying language impairments in children. PLoS One, 11, e0158753.
- Bishop, D. V. M., Snowling, M. J., Thompson, P. A., Greenhalgh, T., & Consortium, and the C.-2. (2017). Phase 2 of CATALISE: A multinational and multidisciplinary Delphi consensus study of problems with language development: Terminology. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 58, 1068–1080.
- Carmiggelt, E. C., Uilenburg, N. N., Romeijn, J. E., Stam-van den Doel, H. H., & Pijpers, F. I. M. (2013). Handreiking uniforme signalering van taalachterstanden bij jonge kinderen. Nederlands Centrum Jeugdgezondheid.
- Dale, P. S., Price, T. S., Bishop, D. V., & Plomin, R. (2003). Outcomes of early language delay. Journal of Speech, Language, and Hearing Research, 46, 544-566.
- Gerrits, E., & van Niel, E. (2012) Taalachterstand of taalontwikkelingsstoornis? Dysfasie, ESM, SLI of taalstoornis? Nederlands tijdschrift voor Logopedie, november, 6-11.
- NVLF (2017/2025). Richtlijn ‘Logopedie bij taalontwikkelingsstoornissen’.
- Posthuma, M., Reurink, I., & Veen, B. van der. (2018). Een onderzoek naar de verwervingsleeftijd van de spraak-taalmijlpalen van de ELS bij kinderen van 0;04–5;11 jaar en de betrouwbaarheid van de bijbehorende ouderrapportage. Hanzehogeschool Groningen, Opleiding Logopedie.
- Singleton, N.C. (2018). Late talkers: Why the wait-and-see approach is outdated. Pediatric Clinics, 65, 13-29.
- Slofstra-Bremer, C. F., van der Meulen, S., & Lutje Spelberg, H. C. (2006). De Taalstandaard, een observatie-instrument voor taalonderzoek bij kinderen van 1:6-4:0 jaar. Logopedie en Foniatrie, 78(9), 268 – 275.
- Visser‐Bochane, M. I., Gerrits, E., van der Schans, C. P., Reijneveld, S. A., & Luinge, M. R. (2017). Atypical speech and language development: a consensus study on clinical signs in the Netherlands. International Journal of Language & Communication Disorders, 52(1), 10-20.
- Visser-Bochane ,M.I. , van der Schans, C. P., Krijnen, W. P., Reijneveld, S. A., & Luinge, M. R. (2021). Validation of the early language scale. European Journal of Pediatrics, 180(1), 63-71. https://doi.org/10.1007/s00431-020-03702-8.
Deze pagina is voor het laatst bijgewerkt op 29 mei 2026